Doel: Voor levensbeschouwelijke vorming zijn momenten van bezinning onmisbaar. Het doel van de bezinningen is leerlingen te leren over belangrijke levensvragen na te denken.
Middelen: Leerlingen brengen zelf een levensbeschouwelijke tekst in met opvattingen of ervaringen die uitnodigen om erover na te denken. De bron van deze tekst kan gehaald worden uit de krant, een boek, een song, de bijbel of van internet. Het kan ook gaan om een eigen ervaring of opvatting. Deze bron moet door de inbrenger herschreven worden tot een goed leesbare tekst van ongeveer 400 woorden. Op basis van deze tekst formuleert de inbrenger twee levensvragen en een stelling. De tekst met de levensvragen en de stelling wordt voor de hele klas gekopieerd. De helft van de klas gaat op basis van deze tekst onder leiding van de inbrenger met elkaar in gesprek. De andere helft bewaakt het proces.
Van de leerling die aan de beurt is, wordt verwacht dat hij/zij ruim op tijd:
· een onderwerp kiest en dat inschrijft op de lijst van de klas.
· het gekozen onderwerp herschrijft tot een goed leesbare tekst. (± 400 woorden)
· bij de tekst twee levensvragen en één stelling bedenkt.
· de tekst, de stelling en de twee levensvragen op 1 blad A4 zet en dit blad (minimaal één week van te voren) ter goedkeuring voorlegt aan de docent LV.
Van de leerling die aan de beurt is, wordt tijdens de bezinning verwacht, dat hij/zij:
· ervoor zorgt dat iedereen, de docent incluis, een kopie krijgt van zijn tekst
· gelegenheid geeft de tekst te lezen en antwoorden op levensvragen en stelling te noteren
· uitlegt waarom juist dit onderwerp werd gekozen.
· daarna het gesprek leidt, naar aanleiding van de door hem/haar ingebrachte tekst.
Van de deelnemers in de binnenring wordt tijdens de mondelinge bezinning verwacht dat zij:
· de ingebrachte tekst goed lezen.
· hun antwoorden op de levensvragen en hun mening op de stelling opschrijven.
· de inbrenger bevragen op zijn keuze voor dit onderwerp.
· hun antwoorden en mening inbrengen in de discussie.
· actief luisteren naar elkaars inbreng en andere opvattingen noteren.
· vragen naar de argumenten van andere opvattingen.
Van de toehoorders in de buitenring wordt tijdens de mondelinge bezinning verwacht dat zij:
· de ingebrachte tekst goed lezen.
· hun antwoorden op de levensvragen en hun mening op de stelling opschrijven.
· zich inhoudelijk buiten de discussie houden.
· voor zichzelf minstens één vraag formuleren, n.a.v. de inhoud van de discussie.
· de activiteiten van de gespreksleider en de deelnemers observeren.
· een vraag bedenken voor de door hen geobserveerde deelnemer.
LET OP:
Na de bezinning wordt van de toehoorders verwacht, dat zij het observatieblad geven aan de deelnemer in de binnenring, die geobserveerd werd. De tekst van de bezinning, die ze als toehoorders ook hebben gekregen, dienen zij zorgvuldig in hun dossier op te bergen.
Na de bezinning wordt van de deelnemers verwacht dat zij de tekst met hun antwoorden en notities van de bezinning, samen met het observatieblad, dat zij van een toehoorder krijgen, zorgvuldig in hun dossier opbergen. Verder dienen zij de tien vragen, die op het observatieblad staan, binnen een week te beantwoorden.